Het is weer tijd voor de verkiezingsdebatten! Politici laten weten waar hun partij voor staat om zo veel mogelijk kiezers te overtuigen. En dat kan het best met een beetje tegenspel. Dus als het contrast tussen jou en je opponent zo helder mogelijk is. Helaas leidt dat nog wel eens tot wedstrijdjes vliegen-afvangen en verplassen. De verstokte achterban vindt dat prachtig: punten gescoord. Maar hoe houd je het debat ook aantrekkelijk voor al die zwevende kiezers?

Drie strategieën
Aristoteles maakte al in 350 BC een heldere indeling in overtuigingsstrategieën voor de toen prille Atheense democratie. Hij noemde de ethosstrategie, waarin het gezag en de gunfactor van de spreker centraal staan, de logosstrategie, met goede argumenten en een heldere structuur, en de pathosstrategie, waarin de emoties van de toehoorders ‘bespeeld’ worden. Met het vliegen-afvangen en verplassen proberen sprekers zichzelf slimmer te profileren dan de ander. Kijk eens wat ik weet! En kijk eens wat jij niet weet? Om de ethos en logos van de ander te verzwakken: kijk eens wat ondeskundig! En wat een zwak verhaal!

Slimpie-boemerang
Het kan een goede debatingreep zijn om de ander te ontmaskeren als een ondeskundig persoon. Zo zijn in het verleden Cohen en Roemer onderuit gehaald vanwege gebrek aan getallen-kennis. Of het nu om de prijs van een brood ging of over pensioenen. Los van de vraag of de gevraagde getallen relevant waren (dat brood) of de ander gewoon geen gelijk had (Rutte tegen Roemer). Je moet goed kunnen debatteren om hier adequaat op te reageren. In deze gevallen: operatie geslaagd, opponent delft het onderspit. Debattrucs kunnen dus nut hebben. Maar zorg dat ze niet je stijl bepalen. Dan gaat het publiek je namelijk niet meer aardig vinden. Je slimheid komt als een boemerang naar je terug. Kijkers en luisteraars haken af. Kiezers zweven verder. En da’s toch jammer?

Pin It on Pinterest